|
In deel drie: hoe (on)veilig is Kabul voor haar? En wat voor invloed heeft voortdurend dreigend gevaar op het dagelijks leven van haar inwoners? September 2008
De beleving van veiligheid in een stad vol oorlog
Elke dag krijg ik er gemiddeld vijf in mijn inbox. Ze informeren de lezer over een gewapende aanval op een lokaal ziekenhuis in een zuidelijke provincie, over de onthoofding van twee lokale gemeenschapswerkers door niet- geïdentificeerde gewapende mannen in een oostelijke provincie of over een mislukte zelfmoordaanslag in de hoofdstad Kabul. Daarnaast worden in deze veiligheidsrapporten – rondgestuurd door private veiligheidsbedrijfjes – aanbevelingen gedaan als “internationale organisaties wordt geadviseerd een andere route te nemen” of “het is raadzaam dit gebied vandaag te mijden”. Ik lees ze, bewaar sommige maar verplaats de meeste naar de prullenbak. Ik weet niet zo goed wat ik er anders mee aan moet en eigenlijk ook niet wat ik van de inhoud moet denken. Voel ik me er onveilig door? Nee, niet echt, hoe onlogisch dit in eerste instantie misschien mag klinken.
Mijn Dari-docent, die me twee maal per week zijn taal onderwijst, deelt mijn mening. Op een avond zijn we bezig met de les als er een dof en zwaar geluid klinkt. Droogjes merkt hij op: “Dat was een explosie”.
“Een bom?”, vraag ik vol ongeloof. “Wellicht, ja.” Hij besluit verder te gaan met de les. Hij vraagt me “Kabul khatarnak hast?”, “Is Kabul gevaarlijk?” Even weet ik niet wat ik moet antwoorden. De berichten over gewapende aanvallen, onthoofdingen en zelfmoordaanslagen zijn niet geruststellend te noemen. Daarnaast herinneren de vele mannen, vrouwen en kinderen die een been of arm missen dagelijks aan de gevolgen van vele jaren oorlog en het voortdurende conflict. Ze zijn slachtoffer geworden van de miljoenen mijnen die in het land verspreid liggen en ze stonden, dankzij de vele tv-reportages over de gevolgen van dertig jaar oorlog in Afghanistan, reeds in mijn geheugen gegrift voordat ik hier ooit voet aan de grond had gezet. In de stad zie ik kapotgeschoten huizen en kinderen die deze plekken gebruiken als speelplaats. Toch antwoord ik dat Kabul niet gevaarlijk is en mijn docent knikt instemmend; Kabul is volgens hem inderdaad niet gevaarlijk.
Uiteraard zijn mijn Dari-docent en ik niet representatief voor alle Kabulis en buitenlanders die hier wonen en werken als het om ideeën omtrent (on)veiligheid gaat. Maar de immense bedrijvigheid – in de vorm van tapijt- en kledingwinkeltjes, fruitkraampjes en restaurantjes – toont aan dat het dagelijks overleven ‘gewoon’ doorgaat. De ellenlange stadsfiles en de fietsers (alleen mannen natuurlijk!) die met gevaar voor eigen leven behendig door het verkeer manoeuvreren, maken duidelijk dat een deel van de Kabulis behoorlijk mobiel is. Er wordt volop gebouwd en mannen vermaken zich al voetballend in de verschillende parken die de stad rijk is. Het grote vertoon van wapens door politie en privébewaking in de publieke ruimte hoort dan blijkbaar ook bij het Kabuli straatbeeld.
Geweld – of de berichtgeving over geweld in voornamelijk zuid en oost Afghanistan en soms Kabul – brengt het leven in de hoofdstad dus niet tot stilstand. Sommige inwoners ervaren Kabul als een veilige stad, andere vinden haar schijnveilig en weer andere voelen zich er onveilig. Wat echter voor alle inwoners geldt is dat, om hier te overleven, het dagelijkse leven zoveel mogelijk door móet gaan. Mijn Dari-docent beseft dit maar al te goed. Na de les verdwijnt hij in de duisternis van Kabul, op weg naar zijn volgende student, op weg naar zijn volgende bron van inkomsten. Ik blijf achter in mijn ommuurde compound, mét twee bewakers voor de poort.
|