|
Toen we januari dit jaar uit Tanah Grogot, de hoofdstad van het district Pasir in Oost-Kalimantan, vertrokken, wisten we al dat we er weer terug zouden komen. Mettertijd kwamen ook de kriebels terug van het idee er weer rond te kunnen lopen. Vervolgonderzoek is altijd spannend. Wat is er in de tussentijd gebeurd en hoe zou het gaan met de contacten die we hebben opgebouwd?
In vergelijking met de smog en drukte van Jakarta is Tanah Grogot een heel schoon klein stadje met erg veel bloembakken. De mensen die er wonen zijn een bonte verzameling van migranten uit heel Indonesië en lokale groepen die er al generaties lang wonen. Dit maakt het stadje veel meer 'Indonesisch' dan de meer in het binnenland gelegen dorpen, die meer 'Pasirs' zijn.
Het is echter totaal niet internationaal. Iedereen die zich eenzaam voelt of zich een dagje filmster wil wanen zou naar Tanah Grogot moeten komen. Net als in vele andere delen van Indonesië is het hier heel normaal dat wildvreemde mensen je op straat groeten of vragen waar je vandaan komt. Maar omdat in Tanah Grogot nooit buitenlanders komen, ben je hier verzekerd van enorme aandacht en maak je vrienden voor altijd. Iedereen zegt je gedag, maakt stiekem foto's van je en nodigt je uit om vooral bij hen te komen zitten. Ze zijn nieuwsgierig naar wat je eigenlijk komt doen, hoeveel kinderen je hebt, wat je van het eten vindt en alles wat zich verder maar als onderwerp aandient. Als we niet samen over straat lopen, komt de vraag al snel: "waar is je vrouw?" of bij Judith: "waar is je man?" Toen Laurens op een ochtend een paar kopieën ging maken, vroeg de dame van de kopieerwinkel meteen waar Judith was. Al waren we er nooit eerder geweest. Judith wilde een beetje uitslapen, vertelde Laurens, en was dus nog thuis. "Aha, dan is ze zwanger", was het stellige commentaar. Heel vriendelijk om te zeggen, want iedereen vindt het raar dat wij als getrouwd koppel nog geen kinderen hebben.
Verder vertellen ze ons allemaal enthousiast dat we flink dik zijn geworden. Nou zijn we wel wat gevulder dan toen we na zeven maanden veldwerk terug naar Nederland vertrokken, maar dik? Hier is het echter een compliment, ze bedoelen dat we er goed uitzien. Ook zijn we nog mooi bleek, iets wat hier een schoonheidsideaal is. De middeltjes en smeerseltjes om blank mee te worden, staan in rijen in de supermarkt. Onze opmerking dat hun bruine kleurtje ons wel wat lijkt, wordt meestal weggelachen: "Dat is toch niet mooi?" Als we vertellen dat veel Nederlanders graag in de zon liggen om bruin te worden, wordt dat vol ongeloof ontvangen.
Gelukkig worden we niet overal met zoveel enthousiasme bejegend. Toen we de eerste avond bij onze favoriete viskraam gingen eten, vroegen ze zonder blikken of blozen waarom we al zo lang niet meer waren geweest. Dat we 'zomaar' voor ruim een half jaar waren teruggegaan naar Nederland werd niet tot de mogelijkheden gerekend. Het is natuurlijk ook best raar, want het leven is toch fijn in Pasir? Laurens Bakker werkt als promovendus bij het Instituut voor Volksrecht (Radboud Universiteit in Nijmegen). Hij doet onderzoek naar grondrechten in Oost-Kalimantan. Momenteel verricht hij samen met zijn vrouw en (onofficiële) onderzoeksassistent Judith Zuidgeest veldwerk in het gebied.
|